Frederik van Eeden
Frederik van Eeden
Frederik van Eeden (1860-1932) begon in 1878 aan een studie medicijnen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij bracht het tot preses van het corps en leverde bijdragen aan de studentenalmanak. In 1882 en 1883 verschenen er teksten van hem in Nederland en De Nederlandsche Spectator. In 1885 richtte hij samen met Kloos, Verwey, Van der Goes en Paap De Nieuwe Gids op. In de eerste aflevering daarvan publiceerde hij De kleine Johannes, deels beïnvloed door Multatuli’s Woutertje Pieterse, maar grotendeels een sprookjesachtige autobiografie.
In 1886 promoveerde hij en vestigde zich als arts in Bussum. Hij schreef essays over literaire en psychologische onderwerpen. Zijn sociale belangstelling ontwikkelde zich in deze periode en hierdoor ontstond geleidelijk een verwijdering met andere schrijvers van De Nieuwe Gids, wat uiteindelijk leidde tot een botsing met Kloos in 1892. Hierna vervreemdde hij snel van zijn vroegere vrienden, maar hij bleef schrijven. De broeders (1894), Lioba (1897) en Van de koele meren des Doods (1900) verschenen in deze periode.
Nadat hij besloten had om zich alleen nog maar op letterkundig en maatschappelijk werk te richten, stichtte hij op een groot landgoed in Bussum de kolonie ‘Walden’, waaraan een afkeer van de stad en een verlangen naar een terugkeer naar de natuur ten grondslag lagen. De kolonie werd in 1907 ontbonden, waarna Van Eeden het idee kreeg om een internationale vriendenkring op te richten die invloed kon uitoefenen op de wereldeconomie en -politiek. Hierdoor had hij veel contact met de buitenlandse groten van zijn tijd, zoals Freud. Hij schreef nog veel, onder meer toneelstukken en gedichten, maar niet meer op het niveau van zijn werk vóór 1900. Na een voor hem moeilijke tijd gedurende en na de Eerste Wereldoorlog kwam hij langzaam tot een religieuze visie. Uiteindelijk overleed hij nadat hij het laatste deel van zijn leven aan een geestesziekte had geleden.
-
2006 De kleine Johannes (Pocket)
-
2004 Van de koele meren des doods (Gebonden)

