Woutertje Pieterse is terug
Fragment uit Woutertje Pieterse
Chronologisch-archaeologisch onderzoek naar de oorsprong dezer geschiedenis, en van de naam der hartenstraat. Over Poëzie in ’n stad wier naam op dam uitgaat. Ongeneeslyke liefde, en vlechten van vals haar. De held van deze historie verdedigd tegen ’t vermoeden van misdaad. Apotheose van glorioso. ’t Gevaar van de roem, en de veiligheid van ’t bovenste plankje. De geduldige Kat van vader van alphen, die nooit zoveel geduld nodig had – ik meen de Kat – als de kinderen die z’n versjes moesten leren – de versjes van van alphen,meen ik – en als de martelaars van de ouderlijke ydelheid, die ze moesten aanhoren.
Het jaar weet ik niet. Daar ge er belang in stelt, lezer, het tydstip te weten, waarop de geschiedenis die ik u verhalen wil aanvangt, zal ik ’n paar punten opgeven als jalons.
M’n moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brandstof. ’t Moet dus geweest zyn vóór de ontdekking der staathuishoudkunde. Onze meid was getrouwd met de barbiersknecht die maar één been had. ‘Dat was zo zuinig,’ meende de ziel, ‘om ’t schoeisel.’ Daaruit zou men nu weer besluiten dat de staathuishoudkunde wél uitgevonden was.
Hoe dit zy, ’t is lang geleden. Men zeide nog niet: ik heb bepaald pyn in ’t hoofd, Amsterdam had nog geen trottoirs, de Inkomende Rechten bestonden nog, men gebruikte in zekere beschaafde landen nog galgen, en stierf niet zo dagelyks aan anevrismen. Ja, ’t is lang geleden.
Ik heb nooit begrepen waarom de hartenstraat, hartenstraat genoemd wordt. Of moet men hartéstraat schryven, of hértenstraat? Nooit heb ik in die buurt meer hartelykheid opgemerkt dan elders, en ook hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon er iemand woonde die
kippen verkocht, en dus poelier genoemd werd, dat kachelmaker betekent.
Ik ben daar in-lang niet geweest; en herinner me alleen dat het ’n straat is die twee hoofdgrachten aan elkaar verbindt, hoofdgrachten die ik zal laten dempen zodra ik de macht heb Amsterdam te maken tot een der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een myner vele plannen is.*
* Neen, de hoofdgrachten moeten niet gedempt worden.
Die ingenomenheid met de toekomst onzer hoofdstad, maakt me niet blind voor haar gebreken. Daaronder reken ik in de eerste plaats haar volslagen ongeschiktheid tot toneel van romantische voorvallen. Men ontmoet daar geen gemaskerde dominoos op de straten... de burgerlyke stand wordt geregeld bygehouden... er is geen Getto, geen Templebar, geen ‘Chinese kamp’, geen Cour des miracles... wie er ’n moord doet, wordt gestraft... en de meisjes heten Mietje of Jansje. Alles proza.
Er is moed nodig om ’n verhaal te doen aanvangen in ’n plaats die op ‘dam’ uitgaat, en waar men dus moeielyk Emérence’s of Héloïzes kan laten wonen. Wat ook weinig baten zou, wyl die frajigheden al lang geprofaneerd zyn.
Hoe maken ’t toch de Franse schryvers om hun Margots en hun Marions aan te kleden als idealen, en om niet te doen walgen van de Henri’s en Ernesten die evenzeer doen denken aan M’sieu Henri en M’sieu Ernest uit de nouveauté-winkel, als onze burgwallen aan vuil water?
Göthe was ’n moedig man: Grietje, Klaartje...
En ik: in de hartenstraat!
Maar ik schryf geen roman, dat ’s waar. En al schreef ik ’n roman, dan nog zie ik niet in, waarom ik die niet geven zou als geschiedenis. Ja,’t is ’n geschiedenis! En wel van iemand die in z’n jeugd verliefd werd op ’n houtzaagmolen, en lang heeft nagesukkeld aan die kwaal.
Want verliefdheid is ’n kwaal, al is ’t maar op ’n molen.
Men ziet dat m’n verhaal heel eenvoudig wezen zal. Te eenvoudig eigenlyk om alleen te staan. En daarom, als ’t me wat al te mager voorkomt, zal ik er wat tussenvlechten hier-en-daar, zoals de Chinezen doen met hun staarten wanneer die wat dun zyn, omdat ze geen Eau de Lob hebben en geen olie van Makasser... waar ik trouwens nooit ’n beer ontmoette die vet leverde aan Rowland.
In de hartenstraat dan was ’n leesbibliotheek. Een kleine jongen met ’n stadskleurig gezichtje stond op de stoep, en scheen besluiteloos. Het was hem aan te zien dat-i gebukt ging onder ’n plan boven z’n kracht.
Telkens stak-i de hand uit naar de kruk van de deur, en telkens veranderde hy die halfvolbrachte beweging in ’n onnodig neertrekken van ’t rechthoekig hemdskraagje dat als ’n juk op z’n schouders lag, of in ’n even onnodig tegenhouden van ’n gemaakte kuch.
Schynbaar verdiept in de beschouwing der bonte twee-duitsprenten die de glazen voordeur van de aandoeningwinkel maakten tot ’n staalkaart van onbegrypelyke dieren, vierkante bomen en onmogelyke sol-daten, dwaalde z’n blik gedurig scheef-uit, als van iemand die vreest betrapt te worden op misdryf. ’t Was duidelyk dat-i ’n opzet in de zin had
dat ten-eeuwigen-dage moest verborgen blyven voor de blikken van voorbyganger en nageslacht, en wie bovendien lette op de krampachtigheid waarmee hy met de linkerhand onder ’t opgeschort kieltje iets scheen te betasten en te knypen in z’n broekzak, zou allicht op ’t denkbeeld zyn gekomen, dat Wouter voornemens was huisbraak te plegen, of zo-iets.
Want hy heette Wouter.
