Lees alvast een fragment uit Mooie Antonio

Lees alvast een fragment uit <em>Mooie Antonio</em>

Fragment uit De mooie Antonio van Vitaliano Brancati, verkrijgbaar vanaf 21 augustus:

'Het was 5 juli 1935. Die dag werden zelfs de priesters geraakt door Antonio’s schoonheid, ook degene die de kleindochter van de aartsbisschop de absolutie had geweigerd omdat ze zich te vaak had bezondigd aan pogingen Antonio’s lichaam ergens op een balustrade te tekenen. Een imbeciele mankepoot, die kans had gezien zich naar voren te dringen in de elegante menigte die het schip van de kerk vulde, maakte ruim baan voor Antonio en liep onder het uitslaan van ongearticuleerde kreten dansend van vreugde voor hem uit, zó zeer deed die bruidegom hem denken aan muziekkorpsen, optochten, vlaggen en voetzoekers, kortom alles wat voor hem symbool stond voor een schitterend feest.

Veel van de aanwezige meisjes omhelsden Barbara, waarbij ze echter langs haar fraaie neusje een smachtende blik op Antonio wierpen, en kregen er maar geen genoeg van Barbara’s wangen en mond, te weten de plekken waar het niet lang daarna kussen van haar echtgenoot zou regenen, te overladen met klinkende zoenen. Juffrouw Elena Ardizzone daarentegen hield zich afzijdig; ze stond aan de voet van een pilaar, een revolver in haar krokodillenleren tasje, en smaakte het bittere genot te zien hoe die beeldschone jongen die zij met één gerichte daad had kunnen omleggen minuut na minuut aan de zijde van een rivale in leven bleef. Dikke tranen biggelden over de grove huid van haar gezicht terwijl ze ondertussen bedacht hoe goed, nobel en hoogstaand het van haar was dat ze dat wapen in haar tasje, dat overigens helemaal niet geladen was, niet gebruikte.

De mannen, die elke keer een bittere smaak in de mond kregen als hun blik op hun eigen vrouwen viel, die rood en opgewonden oogden alsof ze zelf met Antonio waren getrouwd en vol angstige spanning aan een dag begonnen die onherroepelijk naar de avond en vandaar naar de mysteries van de nacht leidde, stonden om hun afgunst te verdringen met elkaar over politiek te praten, na eerst even gemelijk om zich heen te hebben gekeken om te zien of ze de regeringsleider wel ter sprake konden brengen – niet om kwaad over hem te spreken natuurlijk, maar met gematigde eerbied en niet in de geijkte bewoordingen. De gemeentecommissaris beweerde dat er in de herfst een grootscheepse militaire expeditie tegen Abessinië zou plaatsvinden, zoals beschreven stond in een sonnet dat hij de dag daarvoor had geschreven. Betreffend sonnet, dat hij onverwijld begon voor te dragen, schoot notaris Puglisi in het verkeerde keelgat. ‘Laten we het in hemelsnaam niet over oorlog hebben!’ begon hij. ‘Laten we het, juist vandaag, niet over oorlog hebben! We moeten het noodlot niet tarten! Laten we liever naar buiten gaan... achter het bruidspaar aan!’

Aan die oproep werd meteen gehoor gegeven. Buiten de kerk verblindde een witgouden hemel de straat vol mensen die elkaar met de hand boven hun ogen op het bruidspaar wezen, dat op de bovenste trede van het bordes stond.

Antonio sloot zijn ogen tegen de felle zon, waardoor zijn delicate huid waar de zware baard doorheen schemerde zich plooide, en keek daarbij, wellicht onbedoeld, als iemand die een bemind gezicht streelt.

De meisjes op de balkons aan de overkant waren helemaal aangedaan, en het meisje dat er het beste van allemaal in slaagde de menigte, de bruid, de trap, de voorgevel van de kerk en de zon die er recht boven hing, weg te denken en zich voor te stellen dat er rond Antonio en haarzelf een sfeer van intieme afzondering hing die heel goed aansloot bij diens gelaatsuitdrukking van dat moment, deed, nog meer aangedaan dan de andere meisjes, een stapje naar achteren in de richting van de muur, alsof ze bang was naar beneden te vallen.

Ten slotte reden de auto’s die in de zijstraten van de Via Etnea hadden staan wachten tot voor de kerktrap, waarna het bruidspaar, de familie en de genodigden erin verdwenen om even later achter de raampjes te verschijnen. De stoet zette zich in beweging en hield na luttele meters alweer halt omdat hij was aangekomen op de Piazza Stesicoro, voor het huis van notaris Puglisi. Verscheidene meisjes holden het korte stukje over de Via Etnea van de kerk naar het plein en slaagden er zo in de bruid en Antonio nógmaals te zien toen die, gehinderd door een enorme bos anjers, uit de auto stapten.

Dat was het moment waarop de markies van San Lorenzo, die stram, een vuist in zijn zij en strakgejast als een pikeur midden op het plein was blijven staan, overwoog al zijn familieleden aan te geven die, zo zag hij, in weerwil van de verordening van de secretaris-generaal van de partij in jacquet gekleed gingen; en dat was óók het moment waarop een meisje riep: ‘Ik weet zeker dat we Antonio nu nooit meer tot twee uur ’s middags over de Via Etnea zullen zien slenteren. Het is echt waar! Onze jeugd is voorbij!’

Ze had het bij het rechte eind. Na de huwelijksvoltrekking leidden Antonio en Barbara een teruggetrokken bestaan en werden ze slechts zelden in de straten van Catania gesignaleerd. De hele stad wist dat ze hun dagen doorbrachten in het huis op de vlakte of in dat in Paternò, ondergedompeld in zoet geluk. De prins van Bronte, die op een paar kilometer afstand van het landgoed van de Magnano’s in een oud, vervallen landhuis woonde, wist te vertellen dat hij met zijn krachtige veldkijker meermalen door de gordijnen van de jonggehuwden had weten te gluren en hen elke keer in een omhelzing had verrast. Dat bericht gaf aanleiding tot veel gedroom, en als de maartse wind aan de luiken rammelde, dacht menige vrouw aan het heerlijke ruisen van de korenaren op de vlakte en aan het genot om die in de armen van een man als Antonio door de balkonramen heen en weer te zien wuiven. Zo verstreken er twee jaar, waarin Edoardo Lentini zijn vriend aan het eind van elke maand een aantal boeken stuurde: Freud, Einstein, Croce, Bergson, Mann, Ortega en Gide vonden hun weg naar de vlakte en naar Paternò, maar of Antonio die ook werkelijk las, was niet duidelijk.

‘Boeken? Je stuurt hem boeken?’ riep meneer Alfio uit toen hij Edoardo op een dag in de Via Etnea tegenkwam. ‘Die doet volgens mij dag en nacht niets anders dan in de suikerpot roeren!’

‘En kinderen, is daar al zicht op?’ infomeerde Edoardo.

‘Niets,’ verzuchtte de oude baas.'