Cartograaf Jan Werner over zijn selectie van historische kaarten
Interview met cartograaf Jan Werner
In welk opzicht is een cartograaf ook een ontdekkingsreiziger. Met andere woorden: ga je als cartograaf ook op ontdekking uit in onbekende gebieden maar dan op atlassen, landkaarten etc?
Van jongs af zwerf ik door atlassen en landkaarten. Zelden is dat vooropgezet. Meestal begin ik iets concreets op of na te zoeken, om vervolgens te vergeten waarom ik de atlas of kaart gepakt had en steeds verder weg reis, op papier dan. Een moderne variant daarvan is de hele wereld af reizen op Google Earth, prachtig! Opmerkelijk genoeg ben ikzelf voor frequente, verre en lange reizen niet in de wieg gelegd.
Hoe 'lees' jij een atlas?
Ik kan een atlas op twee manieren lezen, professioneel en impressionistisch. Als professional ben ik kritisch, let op weergave, leesbaarheid, drukkwaliteit en doelmatigheid. Als ik wegdroom wordt het impressionistisch, dan laat ik me gewoon verrassen door de kaartinhoud en laat me steeds verder meeslepen, de wereld in. Als het moet kan ik dat van elkaar scheiden, want ik kan op mijn werk, de Bijzondere Collecties van de UvA, natuurlijk niet voortdurend wegdromen in die papieren wereld!
Hoe ben je tot de keuzes gekomen van de kaarten bij Verborgen wildernis?
De keuze is mede ingegeven door een groot project van de Bijzondere Collecties, ‘Atlas der Neederlanden’, dat in 2010 aangevangen is en dat in 2013 afgerond zal worden. Het gaat om een oude negendelige atlas vol met gedetailleerde kaarten van achttiende-eeuws Nederland, meer dan zeshonderd. Er zitten veel omvangrijke kaarten van grote topografische betekenis in. Vanwege de grootte zijn er vele gevouwen, en dat resulteert na een paar eeuwen in vele kreukels en scheuren. De atlas wordt nu gerestaureerd, gedigitaliseerd en wellicht gefacsimileerd, en hij zal in 2013 onderdeel uitmaken van een tentoonstelling over het Nederlandse landschap, ter gelegenheid van de herdenking 1813-2013. Naast kaarten uit die atlas heb ik ook andere kaarten uit de enorme collectie van de UvA opgezocht, als aanvulling voor andere perioden dan de achttiende eeuw, of gewoon ter variatie. De kaarten zijn niet in alle gevallen exact of gedetailleerd genoeg om Kester Freriks op de voet te volgen, maar zij bieden een functioneel en tegelijkertijd sfeervol ruimtelijk steuntje in de rug bij zijn beschrijvingen in woorden.
Kun je iets vertellen over hoe van oudsher wildernissen op kaarten werden aangeduid?
Tenzij het uitdrukkelijk de bedoeling was gaf men de aanwezigheid van wildernissen niet van harte op kaarten aan. Wel natuurlijk om ervoor te waarschuwen (moerassen e.d.), maar men gaf in de Nederlandse Gouden Eeuw liever met enige trots de plaatsen aan waar we de wildernis de baas geworden waren: polders, dijken, steden, kanalen. De kaarten waren meestal versierd met bijbehorende taferelen van wat het onder controle gebrachte cultuurland ons allemaal aan goeds opleverde en ook met de wapens van al die belangrijke mannen die dat met hun geld en macht mogelijk hadden gemaakt. Vaak werden met die versieringen juist de nog niet overwonnen, oninteressante woeste gronden bedekt.
Ook op wereldschaal verdoezelde men onbekende wildernissen graag, door juist op die plekken allerlei decoraties aan te brengen. Ingetekende olifanten, leeuwen, pinguins, zeemonsters, fantastische mensen met of zonder hoofd en kannibalen waren favoriete ‘opvullers’. Pas later werd het usance om onbekende streken op aarde oningevuld te laten.
Een cartograaf overwint de wildernis, het onbekende, brengt het in kaart en benoemt het. Nu werk jij mee aan een boek dat juist die wildernissen weer de predikaten ruig en onbekend wil geven. Is dat niet een tegenstelling?
Het was voor ons soms best moeilijk een kaart te vinden die heel expliciet de door Kester beschreven wildernissen blootlegde. Maar de cartograaf overwint de wildernis natuurlijk niet, hij is slechts degene die hem zo goed en zo kwaad als dat gaat ruimtelijk definieert, lokaliseert, een plekje op de kaart geeft, een tipje van de sluier oplicht. Dat is misschien pas het begin van de overwinning, van de definitieve cultivering.
Hoe is de wisselwerking tot stand gekomen tussen kaarten en teksten, en hoe vindt het samenspel plaats in Verborgen Wildernis tussen tekst en kaart ?
Zoals gezegd hebben we die fraaie Atlas der Neederlanden als pragmatisch uitgangspunt genomen, ik was er al mee bezig. De uiteindelijke keuze van kaarten is het resultaat van een wisselwerking tussen Kester en mij geweest, mede uitgaande van bepaalde suggesties van mijn kant. De eerste teksten die beschikbaar kwamen waren van Kester. Toen ik zijn aanpak eenmaal kende ben ik op een bepaalde manier gaan lezen en schrijven over de kaarten. Datzelfde gebeurde andersom bij Kester toen hij van mijn teksten kennisnam, waardoor een steeds betere afstemming ontstond. Maar er zijn ook teksten van Kester en van mij die vanuit een geheel verschillende optiek geschreven zijn. Die geven met elkaar geconfronteerd binnen een hoofdstuk vaak een verrassend effect, een bijdrage aan de variatie. Het vertellen over hoe een kaart tot stand gekomen is hoeft bijvoorbeeld niets te maken te hebben met de wildernis die Kester beschrijft. Anderzijds moesten we natuurlijk ook wel eens opletten om niet te gaan overlappen, dat ik bijvoorbeeld te veel de historische geografie indook of dat Kester lyrisch werd over een kaart.
Kun je iets vertellen over de soorten kaarten die in het boek zijn opgenomen?
Dat zou een heel lang verhaal kunnen worden. Het interessantste aspect is misschien wel dat het merendeel tot stand gekomen is in de zeventiende en vooral de achttiende eeuw, met enkele uitschieters naar de negentiende eeuw en het heden. Was er in de zestiende eeuw nog een vrij sterk nationaal, centraal gezag, dat ontbrak in hoge mate in de twee eeuwen daarna en kwam weer terug in de negentiende eeuw. Het merendeel van de gedrukte kaarten uit de zeventiende en achtiende eeuw is tot stand gekomen op particulier initiatief en werd mede bepaald door commercie. Dat heeft geresulteerd in een bonte optocht van verschillend soortige kaarten, waar een centrale visie aan ontbrak. Ondanks het hoge peil van de Nederlandse cartografie leek de weergave van ons eigen land in die tijd, gechargeerd gezegd, op een vervormde gatenkaas, een optelsom van al die heterogene initiatieven. Daaruit de voor ons functionele juweeltjes zoeken was een uitdaging, net als het schetsen van de achtergronden. Heel veel cartografische informatie hebben we te danken aan polderkaarten, een voor de hand liggend Nederlands genre. Dat geldt ook voor rivierkaarten. Ook verschenen er grote wandkaarten die de afzonderlijke provincies verheerlijkten. Naast de vele gedrukte kaarten mochten ook enkele oogstrelende handschriftkaarten in de selectie vallen.
Na de Franse tijd is alles helemaal veranderd. De centralistische aanpak in het Koninkrijk der Nederlanden bracht eindelijk wat ordening en samenhang in de kartering van ons land met prachtige uniforme reeksen zoals de topografische kaart, die nog steeds uitgegeven wordt, rivierkaarten, de waterstaatskaart enzovoort. Bovendien kwamen er nieuwe reproductietechnieken en de kaarten werden strakker en zakelijker, maar niettemin zeer verzorgd en nauwkeurig. Zij werden overigens bepaald niet met minder toewijding en vakmanschap vervaardigd dan in de eeuwen daarvoor, integendeel.

